ReflexintegratieReflexen uitgelegd

STNR

STNR — de symmetrische tonische nekreflex

De STNR kun je zien als een brugreflex: een korte, belangrijke overgang op weg naar kruipen, oprichten en vrijer bewegen.

Wanneer het hoofd omhooggaat, strekken de armen zich en buigen de benen. Wanneer het hoofd omlaaggaat, gebeurt het tegenovergestelde: de armen buigen en de benen strekken. Het lichaam oefent zo met boven en onder, voor en achter, dragen en loslaten.

Alsof een klein bootje leert omgaan met eb en vloed: wanneer het ene deel meebeweegt, reageert het andere deel mee.

Hoe werkt deze reflex?

De STNR komt meestal tevoorschijn rond de leeftijd van zes tot negen maanden. Het is een korte tussenfase die een baby helpt om op handen en knieën te komen.

In deze periode leert het lichaam zich los te maken van de zwaartekracht. De baby ontdekt hoe het hoofd, de armen en de benen samen kunnen werken om straks te gaan kruipen.

Je kunt het vergelijken met een jonge matroos die leert hoe hij stevig op het dek kan staan. Eerst beweegt alles nog als één geheel mee. Later komt er meer vrijheid: het hoofd kan bewegen zonder dat armen en benen automatisch hoeven te volgen.

Wanneer deze reflex naar de achtergrond verdwijnt, ontstaat er ruimte voor soepel kruipen, zitten, kijken en bewegen.

Signalen van een nog actieve reflex

Wanneer de STNR nog actief meedoet, kan het lichaam moeite hebben om boven- en onderlichaam goed van elkaar te scheiden. Alsof het schip nog niet helemaal stabiel ligt en het lichaam steeds zoekt naar steun.

  • Veel zitten in W-zit, op de benen zitten of voeten om stoelpoten klemmen
  • Een ingezakte zithouding of vaak leunen op tafel tijdens het schrijven
  • Moeite met overschrijven van het bord, vooral van veraf naar dichtbij kijken
  • Hoofdpijn of het gevoel van een zwaar hoofd
  • Een hand voor één oog houden tijdens het lezen
  • Moeite met lang rechtop zitten
  • Onrustig bewegen op de stoel

Voorbeelden uit de praktijk

Een kind zit aan tafel te schrijven, maar zakt steeds naar voren. Het hoofd komt dichter bij het papier, de armen werken hard en het lijf zoekt steun op de tafel. Alsof het anker telkens net iets te zwaar wordt.
Een leerling kijkt naar het bord en daarna naar het schrift. Die overgang van ver naar dichtbij kost veel moeite. De ogen, het hoofd en het lijf moeten steeds opnieuw afstemmen, alsof de blik telkens van de vuurtoren naar de kaart moet schakelen.
Een kind zit vaak in W-zit op de grond. Dat voelt stevig en veilig, maar het lichaam hoeft daardoor minder zelf balans te zoeken. Het kiest als het ware voor een brede ligplaats in de haven.
Een schoolkind dat na 10 minuten bij het bureau onderuit hangt of op de stoel klimt.
Een leerling die rekensommen wel kan, maar bij het overschrijven van de digibord-opdracht steeds opnieuw moet zoeken.

Filmpje ter illustratie

Filmpje van een externe bron (YouTube). Bekijk het op eigen gelegenheid - Simone heeft het uitgekozen ter illustratie, maar is niet de maker ervan.