ReflexintegratieReflexen uitgelegd

Flying and Landing

Flying and Landing

De Flying and Landing-reflexen gaan over hoe het lichaam omgaat met loskomen van de grond en weer veilig landen.

Denk aan springen, vallen, klimmen, traplopen, rolschaatsen of trampoline springen. Het lichaam moet dan steeds inschatten: waar ben ik in de ruimte, hoe hoog ben ik, hoe vang ik mezelf op en hoe land ik stevig?

Alsof het kind even loskomt van het dek en daarna weer veilig met beide voeten aan boord wil landen: ik voel waar ik ben, ik vind mijn balans, ik land met vertrouwen.

Hoe werkt deze reflex?

Binnen reflexintegratie wordt met Flying and Landing gekeken naar reacties die te maken hebben met hoogte, ruimtelijke oriëntatie, evenwicht en landen.

Wanneer een kind springt of valt, moeten ogen, evenwicht, spieren en houding snel samenwerken. Het lichaam moet kunnen voelen waar boven en onder is, hoe ver de grond weg is en hoeveel kracht er nodig is om goed te landen.

Je kunt het vergelijken met een jonge matroos die leert bewegen op een schip dat op de golven deint. Soms gaat het lichaam omhoog, soms weer omlaag. Stap voor stap leert het: ik kan bewegen, ik kan hoogte aan, ik kan mezelf opvangen.

Wanneer deze reacties niet soepel zijn afgestemd, kan loskomen van de grond spannend voelen. Dan kan een kind voorzichtig worden bij springen, klimmen, traplopen of andere bewegingen waarbij hoogte en balans meespelen.

Signalen van een nog actieve reflex

  • Wanneer deze reacties extra aandacht vragen, kan een kind moeite hebben met hoogte, diepte, balans en veilig landen.
  • Hoogtevrees of snel onzeker worden bij hoogte
  • Moeite met springen of landen
  • Voorzichtig of angstig zijn bij trampoline springen, rolschaatsen of klimmen
  • Moeite met traplopen, vooral naar beneden
  • Zich graag vasthouden bij hoogteverschillen
  • Moeite met evenwicht
  • Wazig zien op afstand of moeite met ruimtelijk inschatten

Voorbeelden uit de praktijk

Een kind loopt de trap altijd voorzichtig af, één treetje tegelijk. Het houdt zich stevig vast aan de leuning en kijkt goed waar de voeten terechtkomen.
Niet omdat het kind zich aanstelt, maar omdat hoogte en diepte nog spannend kunnen voelen. Het lichaam zoekt extra zekerheid voordat het de volgende stap durft te zetten.